wijkteams als hype

Gemeenten hebben het sociale wijkteam ontdekt als het ultieme instrument om de decentralisatie van het sociale domein vorm geven. Nu wil ik geen spelbederver zijn, maar hierop valt wel het een en ander af te dingen. Samen met o.a. Albert Jan Kruiter heb ik in mei vorig jaar geconcludeerd dat het sociale wijkteam vrijwel nergens de kinderschoenen is ontgroeid en dat er nog heel wat obstakels uit de weg moeten worden geruimd wil het aan de hooggestemde verwachtingen kunnen voldoen. Namelijk betere dienstverlening met minder middelen.


Prototypisch een sociale wijkteam opgebouwd is rond professionals die ondersteuning bieden op meerdere leefgebieden en die waar nodig verbindingen leggen tussen het huishouden en relevante specialisten. Waarbij het versterken van eigen kracht leidend is. Het zijn generalisten die werken met het principe ‘een huishouden, één plan, één dienstverlener’. Om optimaal te functioneren moeten de teams samengesteld zijn uit professionals met verschillende achtergronden. Dat wordt samengevat in het principe ‘specialist in het team, generalist in de uitvoering’. In de praktijk zien we echter dat deze principes zelden in samenhang uitgevoerd worden. Het principe ‘één dienstverlener’ wordt heel vaak  toegepast als casemanagement of ketenregie, dat is een dure variant. En in plaats van multidiciplinaire teams zien we overal categorale wijkteams verschijnen wat ook geen besparingen oplevert. Het toepassen van principes als ‘versterken eigen kracht’ en ‘wederkerigheid’ levert veel problemen op omdat professionals hierop absoluut niet getraind zijn, de ‘hulpverleningsreflex’ is diep geworteld.    

Om de nieuwe rol van generalist naar behoren te vervullen, dient de professional losgekoppeld te zijn van de verkokerde instellingen. Dat is inmiddels een ervaringsgegeven. Met die maatregel vervang je een praktijk vol dubbelingen in het aanbod, bijvoorbeeld in de lichte opvoedingsondersteuning. En bespaar je op vele afstemmingsoverleggen. En kan je focus organiseren op generalistisch werken. Maar ja, het loskoppelen van de professionals van ‘moederorganisaties’ stuit op veel weerstand. Maar als je op deze manier blijft schipperen tussen belangen en geen echte keuzen maakt dan gaan de wijkteams helemaal niets opleveren.

Dat het sociale wijkteam überhaupt door het leven gaat als het ei van Columbus heeft alles te maken met de paniek, die bij de gemeenten is uitgebroken. Jarenlang hebben ze tegen het Rijk gezegd  “geef ons de verantwoordelijkheid over het sociale domein en de budgetten die daarbij horen, want wij kunnen het, omdat we dichter bij de burger staan, beter en goedkoper doen.” Maar slechts weinigen hebben nagedacht wat hen te wachten zou staan als ze het ook werkelijk zouden krijgen. Het was vooral politieke ideologie. Er is nooit echt geïnvesteerd in ontkokerde praktijken, hoogstens in additioneel gefinancierde projecten. Het bestaande gemeentelijk welzijnsveld is al hopeloos versnipperd en daar komt per 2015 het versnipperde jeugd en zorgveld bij zonder substantiële  innovatie. Daardoor dreigen alle grote woorden over de vernieuwing van het sociale domein domweg te verdampen.  Eigenlijk triest: de sociale wijkteams als reddingsboei terwijl de versnipperde praktijk, de oude aanbestedingsmodellen en traditionele communicatiemodellen tussen overheid en veld dominant blijven.  Als de wijkteams geen ‘nieuw voor oud’ worden dan is er van innovatie geen sprake.

Ik zeg altijd: zet de goede professionals bij elkaar en laat die met burgers en ervaringsdeskundigen een oplossing vinden voor problemen. Dan kom je een heel end. Het grote probleem is echter dat de bestuurders van instellingen vernieuwing tegenwerken als dat ten koste gaat van hun omvang en invloed. Hetzelfde geldt voor categoraal werkende ambtenaren. Gezien de grote belangen die op het spel staan begrijp ik dat wel maar het is niet handig.  Het cruciale argument dat altijd gebruikt wordt om niet mee te werken is dat door loskoppeling van professionals en instellingen de professionals  niet meer getraind zouden worden in hun specialisme. Ze bestrijden heel fundamenteel de werkwijze ‘specialist in het team en generalist in de uitvoering’. Niet vanuit de gedachte om het goede voor de burger te doen, maar vanuit een machtsdenken. Resultante zijn het ontstaan van  meerdere categorale wijkteamvarianten die uiteindelijk geen kosten gaan besparen. Integendeel. 

Mijn probleem is dat  steeds vaker een karikatuur gemaakt wordt van de generalist. Alsof dat een soort supermens zou zijn. Ik stoor mij daar aan. Als je veel kennis in een team bundelt dan kan je met hulp van je collega’s een breed pallet aan vragen aan. Ons werk is in belangrijke mate ook ervaringswerk. Vraagstuk is hoe je garandeert dat verschillende deskundigheden in het team gevoed worden. Nu wordt stellig beweert dat dit slechts kan door professionals in dienst te houden bij aanbieders. Wat een onzin. Stel je hebt in tien wijkteams bij elkaar 20 professionals werken met een achtergrond in het jeugddomein. Die kunnen toch met elkaar een vakgroep vormen en met elkaar bepalen hoe ze hun knowhow op peil houden. Daar heb je die instellingen toch niet voor nodig. 

Als er geen wezenlijke systeeminnovatie gaat plaatsvinden in het sociale domein dan durf ik wel te voorspellen dat gemeenten failliet zullen gaan, omdat ze de door het Rijk in het kader van de grote decentralisaties opgelegde bezuinigingen niet kunnen realiseren, wat het Rijk zelf nooit is gelukt.  Het is een heel ingrijpende operatie omdat tevens de groeiende welzijn- en zorgconsumptie in een ‘big bang’ omgebogen moet worden in een daling. Wat daarvoor nodig is, is het doorbreken van de cyclus waarbij steeds verder ontwikkelde diagnostiek automatisch leidt tot het aanbod van nieuwe producten en nieuwe vraag. En een doorontwikkeling van een preventieve generalistische frontlijn aanpak met sociale wijkteams. In het algemeen is er objectief geen enkele reden om optimistisch te zijn over de komende decentralisaties, vooral niet omdat elke grote decentralisatie na de Tweede Wereldoorlog naar zijn bedoelingen is mislukt. De enorme groei van de Awbz en de Jeugdzorg heeft twee oorzaken. Ten eerste heeft de overheid het marktdenken de volledige ruimte gegeven. De markt heeft die vrijheid aangegrepen om allerlei deelproducten en vormen van diagnostiek te ontwikkelen die vrijwel automatisch een nieuwe vraag genereren. En dat heeft, ten tweede, een verwende burger gecreëerd die eist dat hij altijd elke beschikbare behandeling of ondersteuning krijgt. In het decentralisatiebesluit heeft de rijksoverheid dat mechanisme niet aangepakt en daarmee in feite een bom gelegd onder de decentralisatie.’ 

‘Een gemeente moet een duidelijke visie ontwikkelen waaraan de instellingen zich moeten committeren. Dit is de lijn, zo gaan we het doen met onder andere multidiciplinaire teams ter vervanging van het versnipperde veld. En daarvoor dient u capaciteit in te leveren. Wij moeten dit bedrag bezuinigingen en dat moet op deze manier gebeuren. Als u de visie en de randvoorwaarden van de gemeente onderschrijft, dan is er ruimte voor een gesprek. Want natuurlijk zit er enorm veel knowhow in de instellingen die de gemeentes willen benutten.  En is het een gemeenschappelijk belang om te voorkomen dat in de ontslaggolven die gaan komen noodzakelijke kennis verdwijnt.

 


 


<<< terug